Blog over OV-kosten gepubliceerd in FNV-magazine

FNV-magazine, het blad voor leden van de FNV en FNV-ZZP, publiceert mijn blog over het declareren van reiskosten met het OV bij je opdrachtgever.

Het eerste deel van deze blog stond al op deze website, onder de titel ‘Onduidelijke vermelding BTW bij reizen met OV‘. Deze blog eindigde met de conclusie dat het niet leuk, zelfs moeilijk, is om reiskosten met het OV op een goede manier in rekening te brengen bij je opdrachtgever. 

Waarom dat zo moeilijk is, en hoe het anders zou kunnen, heb ik beschreven in de vervolgblog ‘OV-kosten declareren bij je opdrachtgever’. 

Zo gauw FNV-magazine is verschenen, zal ik de tekst ook hier plaatsen.

Ik kan in elk geval weer een publicatie aan mijn lijstje toevoegen 🙂 
En, belangrijker, misschien zijn er meer ZZP-ers die het declareren van reiskosten maar omslachtig vinden. Wie weet wordt het in de toekomst dan vereenvoudigd.

Andere tijd, andere plaats

“Iemand met ASS had beter vroeger kunnen leven dan nu”, hoor ik wel eens zeggen. Vroeger, laten we zeggen 50 tot 100 jaar geleden, was de wereld nog overzichtelijk. Je levensloop stond al vanaf je geboorte vast: blijven wonen in het dorp waarin je geboren bent, trouwen met het meisje of de jongen van een paar straten verderop en geen keuzeproblemen als het om werk gaat. Je werd gewoon boer of boerin, of je ging op een kantoor werken. Tenminste als je niet tot de hogere sociaal-economische klasse behoorde, want dan ging je naar de HBS of misschien zelfs studeren en werd je wereld toch nog moeilijk, want groter. De ‘gewone man’ had geen tijd om na te denken, er moest hard gewerkt worden om de 12 kinderen te verzorgen. De sociale controle was sterk, het was duidelijk wat er van je verwacht werd en alleen de dorpsgek week daarvan af, en je sociale rol was duidelijk, want onbewust en vanzelfsprekend, zolang je tenminste niet zelf ging nadenken of een van binnenuit komend gevoel had niet op de goede plek te zitten.

Voor een buitenstaander is het misschien makkelijk om te zeggen dat iemand met ASS in zo’n gestructureerde wereld beter op zijn of haar plek zou zijn. Niet kunnen ontsnappen aan de heersende cultuur biedt houvast. En elke dag krijg je vanuit je omgeving, partner, ouders, buren, te horen hoe je de dingen die gebeuren moet interpreteren, net zoals zij dat weer gehoord hebben van hun partners, ouders, buren.

Voor een binnenstaander zoals ik, is het misschien makkelijk om hier de andere kant van te laten zien. De bekrompenheid, waarin mensen die ‘anders’ zijn eerder uitgestoten dan opgenomen worden in de gemeenschap. Hoe het in werkelijkheid zou zijn gegaan, zal, net als in deze tijd, vooral afhangen van de mensen om wie het gaat zelf. Ik geloof dat het ook nu mogelijk is om een veilig en warm nest te creeëren voor iedereen, met een beetje inspanning en idealisme. Ik denk dat ook vroeger mensen, met en zonder ASS, fantaseerden van een andere tijd en een andere plaats.

Nu worden die vergelijkingen volop gemaakt. PAS-ers vergelijken zich met personages uit science fiction series, zoals Star Trek, of de serie ‘Third rock of the sun’. Niet het verleden, maar de toekomst dus. ‘Van een andere planeet’ is ook de titel van een boek van Dominique Dumortier. Een PAS-er zag overeenkomsten met de ‘dreuzelwereld’en de ‘toverwereld’ van Harry Potter, en dan vooral de magische communicatie.

Of de fantasie nu gaat over de eenvoud en structuur van vroeger, of over de high-tech of magische wereld van de toekomst, één ding is duidelijk: het gaat niet over het Hier en Nu.

Wat is daar toch mee, dat veel mensen met ASS zich in deze tijd, in deze plaats en tussen deze mensen niet thuis voelen? Of dat mensen uit hun omgeving denken dat ze in een andere tijd of andere plaats beter gepast zouden hebben. En zou dat zoveel beter zijn, als iemand werkelijk vroeger of in de toekomst geleefd zou hebben? Is een innerlijk gevoel van ‘hier niet horen’op te lossen door het ‘hier’ te veranderen? Is de oplossing voor het missen van innerlijke structuur, teruggrijpen op patronen van vroeger, die onze samenleving niet voor niks verlaten heeft? Is de oplossing voor onvermogen het bieden van voorgedefinieerde kaders, of het herdefiniëren van kaders? Andere tijd, andere plaats, of: Welkom in ons midden?

Deze column is gepubliceerd in Engagement, november-december 2004.

In mijn ogen is hij nog steeds actueel.

Seksualiteit en autisme

Hoewel seksualiteit en intimiteit voor (normaal begaafde) volwassenen natuurlijk en vanzelfsprekend schijnt te zijn (al kun je ook daar over discussiëren), is dit voor mensen met autisme vaak een vanzelfsprekend probleem. Op mailinglijsten waar volwassenen met een vorm van autisme met elkaar over van alles kunnen mailen, wordt ook over dit onderwerp geschreven. In dit artikel wil ik hierover verslag doen.

Seksualiteit en alles wat daarbij komt kijken kan PAS-ers danig bezig houden, zeker degenen in een vaste relatie. Veelal zijn het verhalen over negatieve ervaringen, variërend van ‘mijn partner heeft veel meer zin dan ik’ tot ongewenste intimiteiten of erger.

Maar er zijn ook goede verhalen. Gelukkig bleken er ook mensen met autisme te zijn, die wat dit betreft geen problemen ondervonden, bijvoorbeeld in hun relatie. Of bij wie er in het begin wel moeilijkheden waren, maar dit gaandeweg de relatie ‘spontaan’ verdween.

Degenen die wel problemen ondervonden, beschreven verschillende soorten problemen.

Er vanuit gaand dat iemand een partner heeft en wel ‘aan seks doet’, in alle vormen die je hieronder kunt verstaan, waarbij seksualiteit meer is dan alleen ‘hèt doen’, beginnen soms de problemen al bij de aanraking. Overgevoeligheid voor aanraking, of de huid begint pijn te doen. Een vrouw vertelde dat huid-huid contact zo onprettig was, dat zij en haar partner voortaan alleen nog vreeën met hun kleren aan.

Andere problemen waar tegenaan gelopen wordt, is bijvoorbeeld onvoldoende zin in seks hebben, onvoldoende opgewonden raken, niet klaarkomen en dit wel een probleem vinden. Het leek alsof vooral vrouwen hier problemen mee hadden, maar dit kan ook komen omdat vrouwen toch makkelijker en opener over hun gevoelens praten dan mannen. Ook binnen het ‘autistenwereldje’ lijkt dit stereotype op te gaan. De vrouwen vertelden over de emotionele problemen die dit met zich meebracht. Je schuldig voelen, geen ‘nee’ kunnen zeggen of dit niet alweer willen doen. Problemen met het aangeven van de eigen grenzen.

Ook is er vaak onzekerheid over de eigen lichamelijke identiteit, de angst door anderen niet als een volwaardige partner gezien te zullen worden, en soms zelfs het idee dat een relatie misschien helemaal niet tot de mogelijkheden zal behoren. En dan heb ik het nog niet over de invloed die medicijnen, zoals antidepressiva, op de ‘zin in seks’ kunnen hebben.

Wanneer iemand met een autismespectrumstoornis problemen heeft met zijn/haar eigen seksualiteit wordt soms nogal snel gezegd dat dit nu eenmaal ‘bij autisme hoort’. Terwijl het in de praktijk vaak gaat om een ingewikkelde mengeling van emoties, invloed vanuit de autisme-handicap, gedachten en psychische verwikkelingen gaat. Ook de rol van ‘de omgeving’ moet niet onderschat worden. Kan er met de ouders of partner over dit onderwerp gesproken worden op een goede manier? Ook verwachtingen spelen een rol. Tijdschriften zoals de ‘Yes’ staan vol over relaties en seks. BNN kwam kortgeleden met een t.v. programma ‘Neuken doe je zo’, gericht op jongeren. Maar gaat dat bij iemand met autisme wel zo?

Ook lijkt het, als het dan al over seksualiteit gaat, vaak alleen over heteroseksualiteit te gaan. Toch kwam ik, in de tijd dat ik met lotgenoten mailde, binnen de kortste keren in elk geval 6 mensen met autisme tegen die van zichzelf zeiden homo- of biseksueel te zijn (5 mannen, 1 vrouw). Soms weet iemand eerder dat hij/zij homoseksueel is dan autistisch, en word het gevoel van ‘anders zijn dan anderen’ of afwijkend gedrag hieraan toegeschreven.

Een openlijk homoseksuele man met autisme vertelde dat hij gemakkelijk een vriendje voor één avondje kon vinden. Maar een relatie was nog nooit gelukt. Zo schreef hij: ‘Vroeger voelde ik, juist doordat ik me vaak zo’n vreemde tussen de mensen voelde, vaak heel sterk
lichamelijk tot andere mensen aangetrokken. Ik denk dat ik, juist doordat ik andere mensen soms zo vreemd, zo onbereikbaar vond, door middel van de passie, waarmee seks gepaard gaat, toch in hun ziel probeerde door te dringen. (..) Nu voel ik vaak alleen de vreemdheid bij andere mensen. Ik heb ook vrijwel geen zin meer om met andere mannen te vrijen, wezens die ik vreemd vind.’

Een andere homoseksuele man met autisme schreef: ‘Mijn ouders weten het nog steeds niet omdat zij altijd de enige personen zijn geweest waar ik nog een band mee had, vrienden
had ik niet dus als ik het mijn ouders zou vertellen, en dat pakte verkeerd uit, dan zou ik die ook nog kwijt zijn en was er niemand meer waar ik naartoe kon…’
Een vrouw met autisme schreef over de frequentie van seks: ‘Mijn partner wilde vroeger altijd vaker, maar ik kon dat niet. Dan zei ik wel: ‘Je mag best ook soms naar een ander gaan als je dat fijn vindt, ik houd je daar niet in tegen, want ik wil dat jij het ook goed hebt.’ Ik kon dat zeggen, want ik was niet bang hem te verliezen. We hebben gewoon heel veel met elkaar, dat kan niet zomaar stuk gaan.’

Terwijl een andere vrouw met autisme het na drie jaar huwelijk voor gezien hield: ‘Ik zou eerder nog iemand willen waar ik eens gezellig bij op de schoot kan liggen of om gezellig mee te knuffelen. Maar niet meer dan dat. Geen seks dus.’

Op 22 maart j.l. hield de CG-raad een dag voor zijn leden rond het thema ‘seksualiteit en relaties van mensen met een chronische ziekte of lichamelijke handicap’. Vanuit PAS ben ik hier naar toe gegaan. Het bleek dat op dit gebied nog veel werk verzet moet worden. Over één ding waren alle aanwezigen het eens: het is wel nodig dat hier meer mee gedaan wordt. Tot de conclusies hoorden onder andere: Patiëntenorganisaties moeten dit onderwerp volwaardig op hun agenda zetten. Goede voorlichting en informatie is belangrijk. Algemene voorlichting en werkmateriaal over seksualiteit moet echter zoveel mogelijk handicap-specifiek worden aangepast. Er zouden gespreksgroepen rond dit thema opgezet kunnen worden als daar behoefte aan is. Het beste zou zijn wanneer een ervaringsdeskundige, al dan niet samen met iemand die geschoold is op het gebied van (praten over) seksualiteit deze gesprekken en/of voorlichting zou leiden. Voor jongeren en jong-volwassenen is bescherming en zorg goed, maar er moet ook voldoende ruimte blijven om te experimenteren. Naast (praten over) problemen en beperkingen moet het accent ook liggen op (bevordering van) seksuele mogelijkheden.

Voor mensen met autisme, die in hun relaties vaak tegen communicatieve problemen aanlopen, een extra uitdaging.

 
Dit artikel is gepubliceerd in Engagement, juni 2003.

De inhoud is in mijn ogen nog steeds actueel.

Hiërarchie en status binnen de groep gehandicapten. Een verkenning van een taboe.

Mensen kennen een natuurlijke pikorde. Terwijl de roep om solidariteit steeds sterker wordt, ook binnen de chronisch zieken- en gehandicaptenbeweging, is het naïef om te denken dat die solidariteit er vanzelfsprekend is, simpelweg omdat je een eigenschap met elkaar deelt, zoals het hebben van een handicap. Solidariteit is belangrijk. Zeker in een politieke tijd waarin ingrepen in de sociale zekerheid opgevoerd worden als noodzakelijk; werk boven inkomen gaat, maar helaas weinig werkgevers arbeidsgehandicapten in dienst nemen; en de kloof tussen arm en rijk, of beter tussen degenen mét toegang tot kennis en informatie en degenen zonder, steeds groter wordt.

Solidariteit is natuurlijk, want de mens is van nature een groepsdier. Mensen willen zich verbonden voelen, en eigenschappen als altruïsme (jezelf opofferen in het belang van anderen of de groep), zorgzaamheid en familiegevoel scoren hoog in het normen-en-waardendebat.

Solidariteit is niet natuurlijk, want de mens is van nature een groepsdier. In iedere groep geldt een hiërarchie. Eerst moet de pikorde worden vastgesteld, pas daarna is er ruimte voor solidariteit. De sterken krijgen meer, maar hebben ook de plicht en verantwoordelijkheid om voor de zwakken te zorgen. Solidariteit is er dus niet vanzelfsprekend. Soms staat ze op gespannen voet met het vaststellen van de pikorde, soms vloeit ze daaruit voort.

Chronisch zieken en gehandicapten staan in de menselijke pikorde onderaan. Ze hebben veelal een marginale positie, ergens aan de rand van de maatschappij. Een plek die ze delen met andere uitgestotenen en kwetsbaren, zoals verstandelijk gehandicapten, verslaafden, dak- en thuislozen. Ergens in het rijtje vinden we ook nog de criminelen. Mensen met autisme vallen in deze groep ‘chronisch zieken en gehandicapten’.

Gezondheid is het hoogste goed, maar zolang je dat hebt, denk je dat geld of geluk dat is. Als ‘gezonde’ bevind je je in een hogere hiërarchische laag dan iemand die gehandicapt is.  Binnen de groep chronisch zieken en gehandicapten bestaat ook weer een pikorde.

Jan Troost, de (oud)voorzitter van de CG-raad, heeft hier al eens een column over geschreven, die hij voorlas op een congres. Op een humorvolle wijze gaf hij anekdotes om aan te tonen dat gehandicapten en chronisch zieken helemaal niet zichzelf als gelijken zien, maar onderling hun hiërarchie vaststellen. Iets wat hem niet in dank is afgenomen. In deze hiërarchie staan de chronisch zieken en degenen met een onzichtbare handicap bovenaan. Zij zijn het meest ‘net als normale mensen’. Degenen met een psychiatrische handicap belanden helemaal onderaan, hooguit staan de verstandelijk gehandicapten daar nog onder. Hoe verder iets van ‘normaal’ af staat, hoe meer onderaan de ladder.

Degenen met een lichamelijke handicap staan een treetje hoger dan degenen met een psychische handicap. In elk geval dat vinden ze zelf. Maar er is verder onderscheid nodig. Degenen die in een rolstoel zitten, staan hoger in de hiëarchie dan mensen met de meeste andere handicaps. Misschien heeft dat met beeldvorming en maatschappelijke acceptatie te maken. Of met de macht van het getal. Gevoelens van eigenwaarde en een positief zelfbeeld als gehandicapte helpen ook mee, die zorgen dat je de deur uit komt en zoveel mogelijk een ‘normaal’ leven leidt. Een goed revalidatie- of rehabilitatieprogramma met aandacht voor psychosociale aspecten doet wonderen. Als je zelf lekker in je vel zit, is de kans op het vinden van werk, een relatie of vrienden weer groter, waardoor je sociale status ook weer stijgt.

De plek in de pikorde is meestal gebaseerd op dergelijke uiterlijke zaken, zoals het hebben van geld, een baan, een vaste partner of de grootte van je kennissenkring. Allemaal zaken die gehandicapten vaak minder of niet hebben, vandaar de lage status. Ook letterlijk je uiterlijk speelt mee. Zie je er minder mooi uit, bijvoorbeeld door een aandoening die je lichaam vervormt, zoals spasticiteit, dan is dat weer een verliespuntje. Minderwaardigheidsgevoel maakt de circel rond.

Als je een handicap hebt met een hogere hiërarchische status, ben je toch stiekem blij dat je niet iets ernstigers hebt. Heb je een onzichtbare handicap, dan is de kans groot dat je ‘hoger’ scoort dan degene met een misvormd lichaam. Tijdens bijeenkomsten van de CG-raad zie je gehandicapten elkaar taxeren en weer even de onderlinge verhoudingen vaststellen. ‘Ik sta boven jou, want ik ben meer richting normaal’.

Ook binnen een subgroep gehandicapten, zoals mensen met autisme, bestaan statusverschillen. Ook hier wordt de pikorde vastgesteld. Binnen PAS keert deze discussie regelmatig terug. Het is een gevoelig onderwerp, en er zijn altijd mensen die er fel tegenin gaan. Ze voelen zich gelijk en gelijkwaardig met iedereen, simpelweg omdat ‘we allemaal autisten zijn’. Maar steevast is er ook een groep, die zegt dit niet zo te voelen. Je mag het niet hardop zeggen, maar de hogerfunctionerenden voelen zich vaak meer of beter dan de lagerfunctionerenden. Ze staan hoger op de ladder. Hun maatschappelijke status is hoger en hun maatschappelijke kansen ook. Hoe lichter het autisme, hoe hoger in de hiërarchie.

Natuurlijk zegt iemand niet, dat hij zich beter voelt dan iemand met een ernstiger vorm van autisme. Eerder lees ik uitspraken als ‘de verschillen zijn te groot’, ‘ik voel me niet met (andere/lagerfunctionerende) autisten verbonden’, maar als je doorvraagt, komt eruit dat er wel degelijk een hiërarchie bestaat. Status en positie zijn belangrijk. Hoe beter iemand functioneert, hoe meer communicatief, hoe ‘normaler’, hoe hoger op de ladder. En bij die anderen wil je niet horen. Je wil horen bij degenen die boven jou in de hiërarchie staan, de echt normale mensen, niet  bij degenen die nog erger gehandicapt zijn dan jijzelf. Daar wordt je zelf alleen maar slechter van.

Hoogfunctionerenden moeten op hun beurt weer vaststellen wie de ‘leider’ is en wie de ‘volger’. Er wordt naar uiterlijk gekeken. Er ontstaan subgroepjes, die onderling duidelijk grenzen afbakenen. ‘Jij hoort er wel bij, en jij niet’. Hoezo, we zijn allemaal gelijk? Helemaal niet!

 Deze column is gepubliceerd in Engagement, mei-juni 2005.
De inhoud is, volgens mij, nog steeds actueel.

 

Het ligt (niet) aan de ouders

Vroeger, toen autisme nog maar pas ontdekt was, zeiden de artsen dat het aan de ouders lag. Met name aan de moeders. De moeders waren zogenaamde ‘ijskastmoeders’: koud en afstandelijk naar hun kind toe. Geen wonder dat een kind daar autistisch van werd, het kreeg te weinig liefde en warmte. En de artsen konden het weten, want zij hadden ervoor geleerd.

De ouders om wie het ging, waren hier niet blij mee. Ze hadden nog sterker het gevoel dat ze alles verkeerd deden, gingen in therapie of uit een gevoel van kwaadheid tegen de geleerden in. Uiteindelijk haalden de gekwetste ouders hun gelijk: het lag niet aan hen! De ouders konden weer opgelucht ademhalen.

Tegenwoordig zeggen de artsen dat het aan de genen ligt. Dit bewijzen ze met dure onderzoeken, tweeling- en familiestudies en wetenschappelijke publicaties. Er wordt druk gespeculeerd welke genen op welke chromosomen de boosdoener zijn: nummer 3, 7, 16 of toch X? Eigenschappen van overleden familieleden worden opgesomd: opa was ook zo, en er was toch een rare oom? De vroegere ijskastmoeders wijzen nu naar vreemde vaders.

Nou zit ik zo te denken: die genen, oftewel je erfelijke materiaal, die krijg je van je ouders. Van allebei de ouders evenveel. De artsen die vroeger beweerden dat het aan de ouders lag, krijgen dus toch gelijk. Al is het op een andere manier dan ze dachten.

Nu denk ik graag nog wat verder door. Stel nu dat straks bekend is, welke genen precies autisme veroorzaken. Waar leidt dat dan toe?

Ik zie taferelen voor me van ouders, die willen uitzoeken of hun kind het bewuste gen van haar of van hem gekregen heeft. Zou dat een basis voor echtscheiding zijn?

Minder vergezocht misschien, zijn de ideeën die ik krijg als ik aan andere aandoeningen denk, waarvan op een dag bekend was welke chromosomen afwijkend zijn. Denk aan het syndroom van Down, met een afwijkend chromosoom 21.

Stel dat ook voor autisme de afwijking in het erfelijke materiaal zal zijn aan te tonen. Doen we dan tijdens de zwangerschap een vruchtwaterpunctie, om te kijken of het kind autisme zal hebben? Zeker bij de risicofamilies waar al een vreemde vader, rare oom of zo-en-zo opa is? Plegen we abortus, omdat we liever geen kind met autisme willen hebben?

Het bepalen welke afwijkingen op het erfelijke materiaal tot autisme kunnen leiden, zeker als meerdere genen aan bepaalde kenmerken blijken te voldoen, heeft meer consequenties dan wetenschappelijk nut alleen. Het gaat niet alleen om de kinderen die er al zijn, maar ook om de kinderen die nog gaan komen. Als bekend is welke genen (waarschijnlijk) autisme veroorzaken, wat doen we dan met die kennis?

Betekent vroegtijdige diagnostiek straks prenatale diagnostiek, dus al voor de geboorte vaststellen of het kind autisme heeft? En dan?

 
Deze column is gepubliceerd in Engagement, mei-juni 2004.
De inhoud is, volgens mij, nog steeds actueel.

 

De voorschrijvende rol van statistieken

Het grote probleem met statistieken, zoals frequentietabellen en prevalentiecijfers, vind ik, is dat ze eigenlijk niets zeggen, maar geïnterpreteerd worden alsof ze alles zeggen.

Dit terwijl dit soort statistische gegevens (percentages, hoe vaak iets voorkomt, of twee dingen samen voorkomen) alleen achteraf gemaakt kunnen worden, maar nooit vooraf iets zeggen.

Er worden m.b.t. ASS massa’s vermeende en echte statische gegevens opgedreund. Zoveel procent van de ASS-ers is normaal begaafd (cijfers varieren tussen de 6% en 71%, afhankelijk van het onderzoek). Zoveel procent is man. Zoveel procent heeft tevens een depressie. Zoveel procent is… De nieuwste vraag was: Hoeveel procent is pedofiel?

Vaak gaat het niet eens in de vorm van percentages, maar in de vorm van schattingen en veronderstellingen: ‘Ik zie dat….’. ‘Het lijkt alsof…’.

 En dat terwijl het hele ASS-veld zo ontzettend in beweging is, en de inclusiecriteria steeds breder worden en er steeds meer ASS-er gediagnosticeerd worden, zodat elk percentage binnen het jaar verouderd is.

Wat dat betreft kunnen gedragswetenschappers e.d. nog veel leren van internisten. Internisten weten hoe ze cijfers moeten lezen.

Als je weet dat bij een bepaalde vorm van kanker 80% binnen het jaar overlijdt, vertel je dat nooit aan de patient, zelfs niet als die erom vraagt. Hooguit zeg je dat de kans hoog is dat. Immers, je weet niet van te voren of iemand bij die 20% zal horen die langer leeft of misschien zelfs geneest. Pas achteraf kun je iemand aan de statistieken toevoegen. Als je de overlijdensdatum weet, kun je achteraf zeggen: diegene hoort tot die groep of tot die groep. Nooit vooraf.

Want je weet niet hoe iemands leven zal verlopen.

Maar wat je wel doet, door percentages als waarheden aan te nemen, is iemand hoop wegnemen. Je creeërt een zgn. selffullfilling prophecy. Iemand denkt ‘ik ga toch dood’ en vecht niet meer voor zijn leven. Eigenlijk zeg je ‘u heeft geen leven meer’.

En toch is dat precies wat bij mensen met ASS gebeurd. Onder het mom van ‘acceptatie’, ‘je moet je handicap accepteren’ en ‘aanpassen aan een gewijzigd toekomstperspectief’ wordt heel subtiel iemands hoop en daarmee iemands leven, want hoop is een belangrijke levenskracht, afgepakt.

Als het gaat om relaties bijvoorbeeld, kun je in allerlei statistieken lezen dat 80% tot 95% van de (hoogfunctionerende) mensen met ASS geen relatie heeft. Dit wordt vervolgens geïnterpreteerd als ‘iemand met ASS krijgt geen relatie’. In echt vele boeken en artikelen, geschreven door en voor hulpverleners en wetenschappers, wordt dit vervolgens tot norm verheven. De kostbare pagina’s worden besteedt aan uitleg hoe je dit nieuws het beste aan je cliënt met ASS kunt vertellen. Waarbij natuurlijk ruimte moet zijn voor rouwverwerking en een veranderd toekomstperspectief. Ik had liever gezien dat die pagina’s besteed waren aan uitleg over het lezen van statistieken.

Ik wil me niet vooraf hoeven instellen op een leven als alleenstaande, levend van een Wajonguitkering en met depressie. Waarbij ik prachtig aan de statistieken voldaan heb: wel ASS, geen relatie, geen werk, wel depressie. ‘Zie je wel dat die statistieken kloppen’. Liever wil ik pas achteraf, en daarmee bedoel ik ten tijde van mijn dood, weten in welk hokje ik val. Waarschijnlijk zullen het dan anderen zijn die het kruisje in het juiste hokje zullen zetten.

Ik geloof niet in statistieken, wel in selffullfilling prophecy’s. Dat zijn voorspellingen die uitkomen omdat je erin gelooft. Vooraf kún je niet weten of je tot de 95% zonder relatie zult gaan behoren of tot de 5% met. Een relatie kan immers op elke leeftijd ontstaan, dat is niet voorbehouden aan mensen onder de 35.

Het is net als in het kankervoorbeeld. Ondanks dat bij een bepaalde vorm van kanker de overlijdenskans 80% is, zul jij maar net diegene zijn bij wie de behandeling aanslaat en die geneest.

Ik denk dat het belangrijk is om erg voorzichtig te zijn met het interpreteren van statistische gegevens en zeker om deze te sterk tot leidraad van therapeutisch handelen te maken. Vaak wordt dan niet de statistiek gebruikt (die iets zegt over kansen, gebaseerd op groepen en achteraf; en niet over individuen en vooraf), maar het impliciete denkbeeld wat onder het mom van ‘wetenschappelijk bewezen’ bevestiging vindt. Daarmee verandert de rol van statistiek, als het gaat over percentages en prevalentiecijfers, van beschrijvend naar voorschrijvend.

Het omgekeerde moet ook niet gebeuren. Om bij het relatievoorbeeld te blijven: het wil dus ook niet zeggen dat iemand met ASS zeker wel een relatie krijgt. De werkelijkheid is, dat je het gewoon niet weet. Als persoon met ASS niet, en als therapeut ook niet. Je kunt niet in de toekomst kijken. Dat betekent enerszijds dat je iemands hoop niet weg moet nemen, anderszijds dat hoop niet moet worden tot een soort dwangmatig moeten. Het enige wat je kunt doen, is proberen om zo open mogelijk te staan voor datgene wat er op je pad komt en bij een splitsing af en toe te kiezen.

Deze column is gepubliceerd in Engagement, januari-februari 2005.
De inhoud is, volgens mij, nog steeds actueel.

 

Betekenisverlening

Mijn vrouw en mijn schoonmoeder. Tekening van W.E. Hill (1915).
Mijn vrouw en mijn schoonmoeder. Tekening van W.E. Hill (1915).

Je kijkt naar de werkelijkheid zoals je naar dit plaatje kijkt. Eerst kun je gaan beschrijven wat je ziet. Een verzameling lijnen en zwart ingekleurde vlakken. Vervolgens ga je dit interpreteren: Wat zie je? Je geeft er een naam aan. Ik zie een jonge vrouw.

Iemand anders zegt: Ik zie een oude vrouw. Wie heeft er gelijk? Wie heeft de werkelijkheid juist waargenomen? Anders gezegd: wie heeft de juiste (normale) betekenis verleent aan wat hij ziet, en wie niet?
Het antwoord is in dit geval: allebei hebben ze gelijk. Er valt zowel een jonge als een oude vrouw te zien, het is maar hoe je kijkt. Wanneer het om dit soort bekende tekeningetjes gaat, is dat geschikt voor een tijdje puzzelen en voor het beetnemen van vrienden. Je kunt erom lachen. Het is gezichtsbedrog, wordt er gezegd. Eigenlijk is het geen gezichtsbedrog, maar een kwestie van waarneming. Afhankelijk van waar je je aandacht op richt, zie je als eerste de jonge vrouw of als eerste de oude vrouw. Je wordt niet bedrogen, beide waarnemingen zijn even waar.  De kans dat er een conflict ontstaat tussen deze twee mensen, die allebei iets anders zien in de tekening, is erg klein. Ze weten dat hun waarneming slechts één van de mogelijke manieren van kijken is. Dé werkelijkheid bestaat niet. Dé betekenis die je geeft aan wat je ziet ook niet.

Wanneer het om het de ontmoeting tussen mensen met en zonder autisme gaat, wordt deze kennis opeens overboord gegooid. Opeens is er wel één juiste manier van betekenisverlenen, interpreteren, benoemen, waarnemen. Deze manier, veelal de manier van mensen zonder autisme, noemt men ‘normaal’. De andere manier, vaak de manier van mensen met autisme, heet dan ‘abnormaal’. Er wordt niet alleen een verschil in betekenisverlening geconstateerd, er wordt meteen een waarde-oordeel opgeplakt.

Kelf of twee gezichten?
Kelf of twee gezichten?

Het gaat pas echt mis, wanneer de één vanuit zijn eigen perspectief betekenis probeert te verlenen aan de betekenisgeving van de ander. Het is al heel wat wanneer men het over de feiten eens is, in dit geval witte en zwarte vlakken. Laten we even aannemen dat over dit basisniveau geen discussie is. Stel nu, dat iemand in bovenstaande tekening alleen een kelk kan zien, en met geen mogelijkheid de twee gezichten ontdekt. Dat kan. Wanneer deze persoon echter vanuit zijn eigen beperkte perspectief de twee gezichten probeert te ontkennen, of alleen kan ‘begrijpen’ (maar niet zien) na allerlei kunstgrepen, zoals gedachtenconstructies, gevoelsmatige inlevingen en luisteren naar de letterlijke verklaringen van de ander, is er iets aan de hand. Wanneer vervolgens dit ‘kelk’perspectief als enige juiste wordt neergezet en als het perspectief van waaruit je kunt proberen de gezichten te ‘begrijpen’ door reconstructie, maar niet door perspectiefwisseling, is er iets helemaal mis. Je kunt niet het gezichtenperspectief innemen als je vastzit in je ‘kelk’.

Toch is dit precies wat mensen zonder autisme doen, als ze mensen met autisme proberen te ‘begrijpen’. Ze proberen te reconstrueren. Of ze komen, met veel pijn en moeite, niet verder dan het concrete en letterlijk waarneembare niveau (de witte en zwarte vlakken). Er is geen sprake van wisseling van perspectief. Al wordt geclaimd dat dit wel gebeurd, onder mooie titels als ‘autisme van binnenuit’ (geschreven door iemand die helemaal niet van binnenuit kán waarnemen) en ‘autisme begrepen’. Degene die vastzit in zijn ‘kelk’perspectief en vandaaruit gezichten probeert te construeren.

Dat dit de praktijk is, hoorde ik onlangs nog tijdens diverse lezingen op het congres van het Opleidingscentrum Autisme uit Vlaanderen. Net zoals op vele andere congressen, waar mensen zonder autisme betekenis proberen te verlenen aan de betekenisverlening van mensen met autisme. Betekenis verlenen aan betekenisverlening, dat moet mis gaan. En dat ging het dan ook.

Een niet-autistische hulpverlener/onderzoeker probeerde op grond van precies zo’n tekening als die in dit artikel staan, uit te leggen aan een zaal van enkele honderden geïnteresseerde toehoorders (ook hulpverleners en onderzoekers, enkele ouders en een verdwaalde autist), hoe autistische betekenisverlening gaat.

‘De persoon met autisme neemt alleen details waar. Daarom is het voor hem niet mogelijk om tot adequate betekenisverlening te komen. Hij overziet het geheel niet. In deze tekening ziet hij bijvoorbeeld een aantal zwarte lijnen, die in de vorm van een soort veer omhooglopen vanaf een zwart vlak. Rechts op de tekening staan nog wat zwarte lijnen met redelijk veel wit ertussen. Er zijn een aantal zwarte vlakken. Omdat hij alleen details waarneemt, trekt de persoon met autisme hieruit vervolgens de conclusie, dat het hier om een oude vrouw gaat. Dit is niet zo, iedereen zou als eerste in deze tekening een jonge vrouw zien. Door de gerichtheid op details komt de persoon met autisme dan ook niet tot adequate betekenisverlening. Wij moeten hem helpen de werkelijkheid te interpreteren, zodat hij een jonge vrouw gaat zien. Mensen met autisme hebben moeite met betekenisverlening, iets wat wij, mensen zonder autisme, gelukkig niet hebben. Slechts door ons te verplaatsen in de manier van waarnemen van mensen met autisme, die letterlijk, concreet en gericht op details is, kunnen we hen begrijpen. Het geheel zien zij niet of, afgeleid uit de waargenomen details, heel erg anders. Dit geheel is de jonge vrouw.’

De gebruikte tekening in de lezing was een andere (een tekening waarin je zowel de bovenkant van het hoofd van een man kon zien als een appel), maar verder komt de essentie op hetzelfde neer.

De uitleg erbij over hoe mensen met autisme betekenis zouden verlenen, vond ik ronduit schokkend. Het was duidelijk dat ze haar perspectief (de jonge vrouw/de appel) als enige juiste zag. Het andere perspectief (de oude vrouw/de man) was slechts te verklaren vanuit aandacht voor details en letterlijke waarneming. Nergens hoorde ik, dat dit een op zichzelf staand perspectief op de werkelijkheid kon zijn, met evenveel claim op de waarheid als het andere perspectief. Nergens hoorde ik, dat ook deze interpretatie (oude vrouw/man) een totaalinterpretatie is, een andere manier van betekenis verlenen aan precies hetzelfde geheel.

Nog schokkender vond ik, om te merken hoeveel ruimte dit dominante perspectief krijgt. De verkondigers van dit perspectief op de werkelijkheid publiceren wetenschappelijke artikelen, schrijven hele boeken vol en houden lezingen op congressen voor volle zalen, waarin ze elkaar bevestigen in hun eigen gelijk. Langzaamaan begint het besef door te dringen, dat mensen met autisme een andere manier van betekenis verlenen hebben. Wanneer dit echter wordt uitgelegd, vervalt men in ingewikkelde constructies, kunstgrepen en gedachtensprongen. Betekenisgeving aan betekenisgeving, op een totaal verkeerde manier. ‘Gezichten’ proberen te zien zonder los te komen uit je ‘kelk’.

Terwijl de ‘kelk’mensen hun uitleg kritiekloos mogen doorgeven aan andere ‘kelken’ (volle zalen van mensen die vervolgens ook op die manier leren kijken en denken), heb ik slechts een paar pagina’s in een tijdschrift ter beschikking.

En dat voor zoiets belangrijks als betekenisgeving. (al is ook dit artikel daar natuurlijk weer een poging toe..:-))

Indiaan of eskimo?
Indiaan of eskimo?


Karin van den Bosch
Dit artikel is gepubliceerd in Engagement, juli-augustus 2005

Communicatie

In de Psy van december 2002 stond het artikel ‘Digitale pioniers lopen vast’ van Michaja Langelaan1). In dit artikel werd ingegaan op de (on)mogelijkheden van hulpverlening via internet, gezien vanuit het perspektief van hulpverleners en hulpverlenende instanties binnen de Geestelijke Gezondheidszorg (GGZ). Het was een vrij uitvoerig artikel, waarin werd ingegaan op een veelheid van aspekten van deze nieuwe vorm van communicatie, zoals de mogelijke doelgroepen en doeleinden van internethulpverlening, door wie het aanbod verzorgd wordt en op welke manier. Ook werd ingegaan op aspekten als kwaliteitscriteria en financiering en vergoedingen. Als voorbeeld werden een aantal websites van pioniers op dit gebied besproken.Toch hebben ze één belangrijke groep vergeten: de websites van zelfhulpgroepen en cliënten/lotgenotenorganisaties. Dit terwijl deze juist vaak veel informatie en advies bieden, en cliënten hier ook veel (informele) hulp en steun halen.

Lotgenoten- en belangenorganisaties, zoals PAS, zijn aan het lobbyen voor meer gebruik van de mogelijkheden die de computer biedt voor communicatie. Met wie dan ook, dus ook met je hulpverlener. Met het idee dat hier nog onvoldoende mee gedaan wordt.

Juist voor mensen met autisme biedt internet ongekende mogelijkheden voor informatie en communicatie. PAS heeft al vanaf het eerste begin aandacht besteed aan de voordelen die communicatie via internet biedt aan mensen met autisme. Onder andere in een lezing gegeven door Harm Schoonekamp tijdens het congres ‘Een vreemde wereld’, n.a.v. het verschijnen van het gelijknamige boek van Martine Delfos in maart vorig jaar. De uitgebreide tekst van deze lezing, inclusief voor- en nadelen van communicatie via internet voor mensen met autisme, staat op de PAS-website2). Voor veel mensen met autisme geldt dat ze schriftelijk (veel) beter kunnen communiceren dan mondeling. E-mail en chat, bijvoorbeeld op allerlei e-maillijsten, biedt mogelijkheden tot uitwisseling van ervaringen, vinden van (h)erkenning en leggen van contacten. Deze zelfde middelen, zoals e-mail, zouden niet beperkt hoeven te worden tot contacten met lotgenoten, maar zouden ook in contacten met de eigen hulpverlener meer ingezet kunnen worden. Hoe nodig is het om elkaar ‘in het echt’ te zien, wanneer bij iemand met autisme de non-verbale signalen niet kloppen met hoe iemand zich voelt en vooral misleidend werken? En hoe belangrijk is het om direct een antwoord op een vraag te krijgen, met het gevaar dat dit niet werkelijk klopt, omdat de persoon met autisme op dat moment niet genoeg bij zichzelf kan komen door aanwezigheid van de ander? Of kan die vraag ook via e-mail beantwoord worden, met het voordeel van meer bedenktijd en betere antwoorden? En waarom zijn hulp- en advieslijnen altijd per telefoon, en zelden of nooit via e-mail?

Beide partijen in het hulpverleningsproces, namelijk de zorgvragers (in dit geval mensen met een vorm van autisme) en de zorgverleners (in dit geval de instellingen binnen de Geestelijke Gezondheidszorg) besteden aandacht aan de toenemende mogelijkheden die internet biedt als hulpmiddel voor contact, communicatie en zelfs hulpverlening. Ook wordt al volop nagedacht over de toekomst voor digitale hulpverlening, leidend tot rapporten zoals E-health in zicht van de Raad voor de Volksgezondheid en Zorg uit 20003). Zeker voor mensen met autisme is dit een gunstige ontwikkeling. Betere communicatie dus?

Ik hoop het, maar wat valt me nu op? Ondanks alles lijkt er nog steeds niet zoveel communicatie te zijn TUSSEN de twee partijen in het hulpverleningsproces. Ik vermoed dat instellingen binnen de GGZ nog nauwelijks weten wat cliëntenorganisaties, zoals PAS, over het gebruik van internet voor communicatie- en therapiedoeleinden zeggen. In het genoemde artikel in de Psy werden, ondanks de overigens volledige opsomming, de cliëntenorganisaties volledig buiten beschouwing gelaten. Omgekeerd weten die, dat geldt in elk geval voor PAS, onvoldoende hoever de zorgaanbieders en zorgverlenende instellingen al zijn in het (denk)proces over internethulpverlening. Je moet maar net toevallig de Psy gelezen hebben.

Dit geeft zo’n organisatie dan het frustrerende gevoel een roepende in de woestijn te zijn. Met ideeën die misschien als idealistisch ter zijde worden geschoven. Nog teveel een pionier.

Als het over verbetering van de communicatie gaat, is gebruik maken van internet één ding. Nog meer overleg en doorgave van informatie tussen hulpverleners en hun instellingen enerszijds, en cliënten en hun belangenorganisaties anderszijds, zou ook helpen.

Karin van den Bosch

Maart 2003

Bronvermelding:

1) Digitale pioniers lopen vast. Michaja Langelaan. Psy nr. 14, december 2002, blz. 27-31.

2) Artikel van Harm Schoonekamp over internet en autisme: www.pasnederland.tk; zoeken met trefwoord ‘internet’; of via Nieuws –> Nieuwsberichten van PAS –> Een vreemde wereld –> halverwege de tekst verder doorklikken.

N.B. Dit artikel dateert uit 2003. De genoemde link bestaat niet meer.

3) E-health in zicht. Raad voor de Volksgezondheid en Zorg, 2000.

4) Therapie via internet//: veilig/virtueel/vlug.com

Jutka Halberstadt. Psychologie Magazine, oktober 2002, blz. 30-33.

5)  Hulpverlening via e-mail. UWVPerspectief, nummer 2, december 2002, blz. 12-13.

 

 Dit artikel is gepubliceerd in Engagement, maart-april 2003.

De kern is, bijna 15 jaar later, nog steeds actueel. Internethulpverlening of e-health lijkt soms nog steeds niet veel verder dan de kinderschoenen te zijn. Bij ontwikkelingen op dit gebied wordt de inbreng van patiënten-/cliëntenorganisaties nog steeds vaak vergeten. Dat sommige mensen met autisme bij voorkeur via email of op een andere digitale manier communiceren met hun hulpverlener, moet nog steeds onder de aandacht gebracht worden. 
Bij de ontwikkeling van de Zorgstandaard Autisme (op dit moment, augustus 2017, in de authorisatiefase) waren het (weer) de volwassenen met autisme die het belang van digitale communicatie en e-health naar voren brachten en benoemden als een van de kwaliteitsgebieden voor goede autismezorg.

Openheid over autisme moet niet opgedrongen worden

Een volwassene met de stoornis van Asperger heeft zich aangemeld als lid van de NVA. Vervolgens blijkt dat de post (zoals het tijdschrift Engagement en andere post) open en bloot wordt verstuurd: met plastic folie eromheen of in een envelop waarop het NVA-logo duidelijk zichtbaar is. De betreffende persoon stelt dit niet op prijs. Hij wil namelijk niet dat zijn huisgenoot te weten komt dat hij een vorm van autisme heeft. De kans daarop is behoorlijk groot wanneer post op de deurmat valt waarop ‘autisme’ te lezen valt. Hij verzoekt de NVA om voortaan post in een blanco envelop toegestuurd te krijgen. Dit blijkt echter niet mogelijk binnen het huidige administratiesysteem, wat reden is voor deze persoon om zijn lidmaatschap op te zeggen.

Openheid over autisme moet niet opgedrongen worden. Hoewel het in dit geval om de NVA gaat, valt gemakkelijk voor te stellen dat iets dergelijks (herkenbare post) zich ook bij een andere instantie, zoals een GGZ-instelling, voordoet. Vanuit PAS benadrukken wij het recht op privacy van onze achterban. Een volwassene met een autismespectrumstoornis moet zelf kunnen kiezen of, wanneer en aan wie hij/zij vertelt dat hij een vorm van autisme heeft.

Het feit dat iemand een autisme-diagnose heeft en/of cliënt is bij een (GGZ)instelling ligt voor veel mensen gevoelig. PAS zou graag zien dat met deze gevoeligheid rekening wordt gehouden. Daarnaast bestaat, indien een ander, zoals een huisgenoot, onbedoeld en ongewenst op de hoogte komt van iemands autisme het risico op stigmatisering, pesten, discriminatie of erger.

Een duidelijk verhaal, zou je denken. Voor mij is het in elk geval vanzelfsprekend dat iemands coming aut nooit afgedwongen kan worden. Zo vanzelfsprekend, dat ik verbaasd was toen ik hoorde dat over post in een blanco envelop versturen zo moeilijk werd gedaan. Bij de Vlaamse tegenhanger van de NVA, de VVA, kan dit wel. Jammer dat dit bij de NVA (nog?) niet mogelijk is.

Maar ik ben nog veel verbaasder over de reacties die ik te horen kreeg toen ik dit enveloppen-verhaal vertelde. Voor de groep mensen met autisme was de zaak net zo vanzelfsprekend als voor mij. Zij waren eveneens verbaasd of kwaad over het opdringen van openheid over je stoornis.

De mensen zonder autisme die ik gesproken heb, hadden als groep ook eenzelfde reactie: Zij wisten niet waar ik het over had. Ze snapten niet waar ik, of eigenlijk de man om wie het ging, moeilijk over deed. Hoe ik het verhaal ook uitlegde, ik kreeg het niet overgebracht. Ik vertelde over de gevoeligheid van dit soort zaken. Een gevoeligheid die voor mij, en vele autisten met mij, er duimendik bovenop ligt. Ook zonder uitleg begreep ik de emoties van die man. Ook met uitleg begrepen de mensen zonder autisme er niks van. We willen toch juist graag dat er meer openheid komt over autisme?

Ik deed een laatste uitlegpoging. Voor mij zit er verschil tussen datgene wat je als groep probeert te bereiken, en datgene wat voor een individu geldt. Voor een belangenvereniging zoals PAS gelden andere dingen, dan voor iemand in zijn of haar persoonlijke, dagelijkse leven. Als groep kun je streven naar meer openheid over autisme, terwijl je hier als individu nog niet aan toe bent. Wanneer iemand open is over zijn/haar autisme, bijvoorbeeld in de media, is dat van diegene een eigen, vrije keuze. Dat wil niet zeggen dat dat dan voor iedereen opgaat.

Ik ben tegen ‘wij’ – ‘zij’ denken. Maar door dit soort reacties zou ik bijna in stereotypen gaan geloven. Autisten voelen blijkbaar echt anders dan niet-autisten. Gelukkig ben ik nog net analytisch genoeg om te zien dat dit niet de werkelijke reden zal zijn. Om je in te kunnen leven in een ander is het soms blijkbaar ook nodig, dat je zelf al eens in een vergelijkbare situatie gezeten hebt. Misschien is het eerder het verschil ‘wij die in aanraking zijn geweest met de psychiatrie’ en ‘zij die dat niet zijn’. Of ‘wij die een ziekte/stoornis/beperking/handicap hebben’ en ‘zij die gezond zijn en dat ook altijd geweest zijn’. Of ‘wij die tot een minderheidsgroepering behoren’ en ‘zij die tot de meerderheid behoren’. Of..  of..

Deze column is verschenen in Engagement, februari 2006.
De kern ervan, namelijk dat openheid over autisme niet moet worden opgedrongen, is in mijn ogen nog steeds actueel. Ook stuurt de NVA nog steeds post met haar logo daarop. Ik weet niet of het tegenwoordig mogelijk is om wel om volkomen blanco enveloppen te vragen.

 

PGB-droom

Geweldige uitvinding, zo’n Persoonsgebonden Budget (PGB). Niet dat ik er één heb. Ik heb het zo al druk genoeg, ook zonder het hele administratieve- en indicatiecircus dat bij een PGB-aanvraag komt kijken. Maar goed, stel even dat die hobbel genomen is. Dat ik dus werkgever word om via een PGB mijn hulp te betalen. Dan komt de volgende hobbel: wat zou diegene moeten gaan doen? Ik zou wel een PGB voor huishoudelijke hulp willen.

Ik droom al over die mannelijke hulp. Hij moet natuurlijk handig zijn, al is een mooi uiterlijk meegenomen. Hij spit mijn tuin om en legt het terras aan. Hij slaat een spijker in de muur, terwijl ik op de aan-knop van de wasmachine druk. Hij plakt de lekke band van mijn fiets.

Hij timmert een kast in elkaar.

Helaas zijn de bedenkers van de PGB-indicatie schijnbaar allemaal mannen. Je kunt wel een indicatie krijgen voor huishoudelijke hulp, maar zo’n huishoudster (altijd een vrouw) komt bij iemand (meestal een man) om daar de traditioneel vrouwelijke taken over te nemen. Huishoudelijke hulp betekent: schoonmaken, afwassen, wassen. Jawel: de druk op de knop van de wasmachine. Huishoudelijke hulp betekent niet: iemand die zware dingen voor je tilt. Iemand die je kast in elkaar timmert of in de tuin werkt. Iemand die klusjes doet.

Of is het gewoon moeilijker om zelf de was te doen dan om zelf een spijker in de muur te slaan? (knop indrukken versus op een k(n)op slaan)

Betekent dit een herwaardering van de traditioneel vrouwelijke taken? Het huis poetsen is uiteindelijk veel belangrijker dan het bijhouden van reparaties en klussen?

Of is het PGB-systeem gewoon een ‘mannensysteem’, door mannen overheersd en vanuit mannelijk perspectief opgezet? Is het makkelijker voor te stellen dat een man behoefte heeft aan een huishoudster, dan een vrouw aan een huishouder?

Ik ben zelf erg goed in de was doen. Ook schoonmaken, eten koken, afwassen, strijken is allemaal geen punt. Geen PGB-indicatie dus. Maar ik droom van een hulp in de huishouding die me helpt bij waar ik zelf minder goed in ben: de traditioneel mannelijke taken zoals klussen en reparaties. Betaald vanuit een PGB….

P.S. Een ‘huishouder’ willen betekent niet dat ik tussen de regels door een relatie bedoel. Al is dat ook een man in huis. Een man die een huishoudster zoekt als poetshulp, vraagt toch ook niet om sex?

Deze column is gepubliceerd in Engagement, maart-april 2006
maar volgens mij ruim 10 jaar later nog steeds actueel.